Website vergroten/verkleinen: cltr-knop + scrollen
Anatomie van het paard
Bloedsomloop
Slagaders en aders | |||
![]() |
|||
|
|||
![]() |
terug naar boven
Algemeen | ||
![]() |
||
![]() |
Zuurstofrijk bloed wordt meestal rood aangegeven en zuurstofarm blauw. Hart 1a. rechter boezem - atrium 1b. linker boezem - atrium 1c. linker kamer - ventrikel 1d. rechter kamer - ventrikel 2. aorta - hoofdslagader 3. leverslagader - arteria hepatica 4. darmslagader - arteria mesenterica 5. longslagader - arteriae pulmonales 6. halsslagader - arteria carotis 7. onderste holle ader - vena cava inferior 8. leverader - venae hepaticae 9. poortader - vena porta 10. bovenste holle ader - vena cava superior 11. longader - vena pulmonalis a. longen b. nieren c. andere organen d. lever e. darmen f. voorbenen g. achterbenen h. hoofd i. maag j. milt |
|
Functie bloedsomloop • bloed rond pompen Bloedsomloop bestaat uit: • hart • bloedvaten • bloed Feiten: Bloeddruk: systolisch 110, gemiddeld 90, diastolisch 70 mm Hg Hoeveelheid: 9,7 gr per 100 gr lichaamsgewicht De bloedsomloop is een systeem van buizen waar het bloed door het hart doorheen gepompt wordt. Het voorziet de organen en weefsels van hun behoeften en voert afvalproducten af. De bloedsomloop is een "gesloten bloedsomloop" omdat het zuurstofrijke en -arme bloed gescheiden wordt rondgepompt. Alleen in de haarvaten hebben de beide systemen contact met elkaar. Zoogdieren hebben een dubbele bloedsomloop: • kleine bloedsomloop • grote bloedsomloop Kleine bloedsomloop Gaat van het hart naar de longen en weer terug. Bloed komt binnen in het hart in de rechterboezem en wordt via de rechterkamer en longslagader naar de longen gepompt. In de longen geeft het bloed koolzuurdioxide af en neemt zuurstof op. Zuurstofrijkbloed gaat via de longaderen terug naar het hart. Grote bloedsomloop Gaat van het hart naar alle delen van het lichaam en weer terug. Linker kamer van het hart pompt het bloed via de linker boezem en de aorta het lichaam in. De aorta vertakt zich tot kleinere vaten en uiteindelijk tot een stelsel van haarvaten (capillaire netwerk), heel kleine bloedvaatjes die rondom de organen liggen. In de haarvaten - capillairen vindt uitwisseling van zuurstof en voedingsstoffen plaats naar omliggende organen. De organen gebruiken de voedingsstoffen en zuurstof en geven afvalstoffen af aan de haarvaten. Het zuurstofarme bloed stroomt vervolgens naar de aders, die het weer naar het hart vervoeren. |
terug naar boven
Het hart - cor,kardia | |||
![]() ![]() |
Het hart - cor I. rechter boezem (atrium) II. linker boezem (atrium) III. rechter kamer (ventrikel) IV. linker kamer (ventrikel) 1. bovenste holle ader 2. aortaboog 3a. longslagader rechts 3b. longslagader links 4. linker longaders 5. onderste holle ader 6. mitralisklep 7. aortaklep - lichaamsslagaderklep 8. pulmonalisklep - longslagaderklep 9. tricuspidalisklep 10. truncus brachiocephalicus 11. arteria carotis communis sinistra 12. arteria subclavia sinistra Functie Zorgt voor de beweging van het bloed. Het hart heeft vier hartkamers. Dit zijn holten in het hart waarmee door samentrekking van de hartspier het bloed de slagaders in gestuwd wordt. De hartkamers zijn van elkaar gescheiden door een scheidingswand en kleppen. |
![]() ![]()
|
|
|
![]()
|
||
Omschrijving • ligging: in de borstholte van de III to VI/VII rib in het het "hartzakje" - pericard, een aantal vliezen die gedeeltelijk met elkaar vergroeid zijn. • wand bestaat uit 3 lagen: 1. endocard (binnenste) 2. myocard (middelste) 3. epicard (buitenste) De hartspier De spierlaag van het hart - myocardium heeft in de atria twee lagen en in de ventrikels 5 lagen. De pompwerking komt voort uit een gecoördineerde contractie (samentrekking) van de spiercellen in de hartwand. Tijdens deze contractie worden de hartkamers kleiner waardoor het bloed er uit wordt geperst. De hartkleppen voorkomen dat het bloed in de verkeerde richting stroomt. Deze fase wordt de systole genoemd. De daarop volgende fase van ontspanning (relaxatie) wordt diastole genoemd. De spiercellen worden langer en de hartkamers groter waardoor het bloed uit de boezems in de kamers stroomt. De hartspier zelf wordt voorzien van zuurstofrijk bloed door de kransslagaders • De beweging van het hart is cyclisch. Opeenvolgend: - systole - samentrekken van de hartspier (60% van de tijdsduur van een cyclus) - diastole - ontspanning van de hartspier (40% van de tijdsduur van een cyclus) Regulatie Het hart wordt geregeld door neurologische- en hormonale mechanismen. Feiten • hartslag: 28 - 44/min (veulen ongeveer 76 p/min) • hartslag in galop: 200/min • gewicht: 0,4 tot 1 % van het lichaamsgewicht • De capaciteit: - 25 - 40 liter/min per diastole - 850 ml/min per systole |
|||
Hartkleppen - valva • Atrioventriculaire kleppen of zeilkleppen: - tricuspidalisklep - mitralisklep • slagaderkleppen of halvemaanvorimige kleppen: - pulmonalisklep - longslagaderklep - aortaklep - lichaamsslagaderklep Werking hartkleppen Van bovenaf zien hartkleppen eruit als een cirkel die door drie is gedeeld, behalve de mitralisklep, die in tweeën gedeeld is. Er loopt een spier door de kamers die van boven vastzit aan de hartkleppen, en van onderen aan de wand van de hartkamer. Als deze spier samentrekt, trekt die de klepjes open. Ontspannen de spieren, dan gaan ze weer dicht. De spiertjes, waar hier sprake van is (zogenaamde papillairspieren) trekken samen tegelijk met de rest van de linker hartkamer; hierdoor wordt voorkomen dat de kleppen in de richting van de boezems "doorslaan" en worden ze dus dicht gehouden. Het openen van de kleppen gebeurt tijdens ontspanning van de hartkamers waarbij de papillairspieren ook ontspannen zijn en de kleppen uiteindelijk openen als de druk in de kamers lager wordt dan in de boezems. |
terug naar boven
Bloedvaten | |||||||||||||||||||||||||||
Een systeem van buizen. De wand bestaat uit drie lagen: • tunica intima - de binnenste laag • tunica media - de middelste laag • tunica adventicia - de buitenste laag De bloedvaten kun je onderverdelen in: • slagaders - arteriën • aders - venen • haarvaten - capilaieren |
|||||||||||||||||||||||||||
Slagaders - arteriën(behalve longslagader) Vervoeren zuurstof en voedingsstoffen van het hart naar de rest van het lichaam. De druk in de slagaders is hoog bij iedere hartslag. Een dikke elastische wand met spierweefsel vangt de druk op.
Kransslagaders het hart zelf heeft ook zuurstof en voedingsstoffen nodig. Deze krijgt het hart via de kransslagaders. Dit zijn speciale aders die in een krans rondom het hart liggen. De poortader - vena portale hepatis De leverpoortader vervoert zuurstofarm, voedingsstofrijk bloed van de darmen, maag, milt en alvleesklier naar de lever. Het opgenomen voedsel wordt bewerkt en eventueel opgeslagen. Ook verwijdert de lever de meeste gifstoffen (als wel de afvalresten van rode bloedcellen afkomstig van de milt) uit het bloed voordat deze in de rest van het lichaam kunnen komen.
|
terug naar boven
Bloed | |||||||||
Het bloed Functie • transport gassen (zuurstof en kooldioxide), voedingsstoffen, hormonen en antilichaampjes. • transport van lymphevocht • handhaven lichaamstemperatuur • beschermende functie, speelt rol bij afweersysteem • handhaven constant inwendig milieu Transportfunctie • Transport van de gassen O2 (zuurstof) en CO2 (kooldioxide). Nadat de zuurstof in de haarvaten bij de longen middels diffusie (gaswisselingsproces) in het bloedplasma is gekomen, wordt het gebonden door de hemoglobine (Hb) in de erythrocyten. In korte tijd kan een grote hoeveelheid zuurstof worden gebonden tot oxyhemoglobine (HbO2). • Voedingsstoffen worden hoofzakelijk in de dunne darm in het bloed opgenomen en naar de lichaamscellen vervoerd. • Het bloed vormt in een strijd tegen sommige ziektekiemen, antilichaampjes die in het bloed aanwezig blijven. Zij kunnen een volgende aanval van dezelfde ziektekiem direct bestrijden. (immuniteit). Constant inwendig milieu Het plasma, samen met de binnen- en buitencellulaire vloeistof in het weefsel, vormt het waterreservoir voor het paard. Dit reservoir moet constant van samenstelling zijn ten aanzien van: • de bloedbestanddelen • de temperatuur • de osmotische waarde • de zuurgraad Beschermende functie Het bloed beschermt tegen: • ziekteverwekkers • lichaamsvreemde stoffen • speelt een rol als stollingsfactor |
|||||||||
Samenstelling • bloedplasma • rode bloedlichaampjes of -cellen: erytrocyyten • witte bloedlichaampjes of -cellen: leukocyten • bloedplaatjes: trombocyten Bloedplasma Een strokleurige vloeistof, waarin talloze microscopische kleine cellen. 1. zorgt samen met het lichaamsvocht voor het waterreservoir voor het paard 2. transportfunctie van o.a.: • bloedcellen • water • plasma-eiwitten • antilichaampjes • mineralen zoals calcium • hormonen • afvalstoffen • voedingsstoffen De aminozuren en koolhydraten die het lichaam nodig heeft worden door het plasma vervoerd in opgeloste toestand. Plasma-eiwitten Zorgen voor de handhaving van de collo�d-osmotische druk. Tevens hebben zij een rol als transportmiddel (o.a. hormonen, ijzer, koper), als antilichamen (gammaglobuline), als stollingsfactoren, als enzym en als reserve-eiwitten. Erytrocyten - rode bloedlichaampjes/bloedcellen De erythrocyten worden geproduceerd in het rode beenmerg. En afgebroken in milt, lever en rode beenmerg. De erytrocyten zorgen voor de rode kleur van het bloed. Elke rode bloedcel bevat een organische ijzersamenstelling (ijzeratoom) en een eiwit, die samen het pigment hemoglobine maken. Bij een hoog zuurstofgehalte, zoals in de longen, voegt de zuurstof zich, middels diffusie, samen met de hemoglobine en vormen een helderrode samenstelling, de oxyhemoglobine. Als het zuurstofgehalte laag is, zoals in de weefsels die veel werk doen, laat de oxyhemoglobine de zuurstof vrij. Het omgekeerde gebeurt met het koolzuurgas (kooldioxide). Dit wordt opgenomen door de hemoglobine waar de concentratie hoog is en vrijgelaten in de longen, waar de concentratie laag is. (diffusie) Dit proces gaat heel snel, elke rode bloedcel heeft lechts een seconde nodig om het capillaire netwerk te doorlopen en zuurstof af te staan. Leukocyten - witte bloedlichaampjes/bloedcellen Zij spelen een rol in het afweersysteem doordat zij de ziekteverwekkers vernietigen en in zich opnemen. Wanneer zij daar zelf aan ten gronde gaan ontstaat er etter/pus. Zij kunnen verdeeld worden in twee groepen: • granulocyten Zij worden gevormd in het rode beenmerg en worden als volgt ingedeeld:
Productie: in het lymfatische systeem en in het rode beenmerg. Functie: vormen antilichamen (immuniteit)
Trombocyten - bloedplaatjes Productie: in het rode beenmerg. Functie: bloedstolling (coagulatie) bij een verwonding. Coagulatie = bloedstolling Hemostase = mechanisme van het lichaam voor het voorkomen van bloedverlie Aggregatie = trombocyten vormen bij de open wond een trombocytenprop door middel van samenklontering.
|
|||||||||
![]()
|
terug naar boven
Lever en milt | |||
![]()
|
Lever Is het grootste orgaan van de interne organen. (1.5% van het lichaamsgewicht) De belangrijkste functie is het afbreken van een teveel aan proteïnen wat via de nieren wordt uitgescheiden als ureum. De lever van het paard produceert gal. Het paard heeft geen galblaas. De lever heeft erg veel functies (minimaakl 1500). Hieronder enkele belangrijke functies. |
||
Functie lever o.a. • detoxificatie (afbraak giftige stoffen) • verwijderen en afbreken van oude, rode bloedcellen • afbraak van overtollige hormonen • reguleren van de lichaamstemperatuur • productie galzure zouten • productie cholesterol • productie gal • constant houden van het glucoseniveau in het bloed • opslaan van ijzer en vit. A, D en B12 • verbindingen van bloedplasma proteïnen (0.a. albumine, alpha-globuline, protrombine, serum cholesterol en bloedglucose) • opslaan van bloed |
|||
![]()
|
Milt De milt kan worden gezien als de lymfeklier van het bloed. In de milt worden plasmacellen gevormd uit B-lymfocyten en worden rode bloedcellen afgebroken en het daarbij vrijkomende ijzer opgeslagen, maar de milt bevat ook een zeker reservoir aan bloed. Ook draagt de milt bij aan de verwijdering van afvalstoffen uit het bloed. De milt bevat macrofagen. Deze zijn in staat de resten van dode of beschadigde lichaamseigen cellen te veranderen in intercellulair materiaal. En Lichaamsvreemde cellen (bijvoorbeeld micro-organismen) en inerte deeltjes in zich opnemen door middel van fagocytose en pinocytose. Bij het paard kan de milt een grote hoeveelheid bloedcellen opslaan voor onmiddelijke behoefte. |
||
Functie milt • vormen van plasmacellen • afbraak rode bloedcellen (erytrocyten) en opslag overgebleven ijzer • verwijdering afvalstoffen • opslag van bloed voor reserve, evenals de lever Bij grote inspanning worden deze voorraden in de bloedbaan gebracht. gewicht: ongeveer 2 kg lengte: ongeveer 60 cm |
terug naar boven
Lymfevatenstelsel (lymfestelsel) | ||||
![]()
|
||||
Alle cellen zijn omgeven door weefselvocht. Zodra dit vocht zich in de lymfevaten bevindt heet het "lymfe". Door de bloeddruk en osmose wordt er vanuit de haarvaten vocht het weefsel in getrokken. Dit weefselvocht neemt vervolgens stoffen op die hierin niet thuishoren zoals te veel eiwitten, te veel water of vreemde cellen die het lichaam zijn binnengedrongen. Niet alle afvalstoffen kunnen door het bloed worden afgevoerd. De grootste eiwitdeeltjes kunnen alleen via de lymfe uit het weefsel komen. Het lymfevatenstelsel is geen gesloten systeem. Het weefselvocht verzamelt zich in kleine lymfecapillairen die overgaan in steeds grotere lymfevaten die uiteindelijk de lymfe teruggeven aan de bloedbaan. Lymfe is een kleurloze lichaamsvloeistof dat bestaat uit: • water • zouten • afvalstoffen • hormonen • enzymen • vetten • antistoffen • witte bloedlichaampjes Functie • afbraak en rijping van lymfocyten • vorming van antilichamen • drainage (verwijderen van vocht uit de weefsels) • transport (proteïnes, glucose, zouten, enzymen, hormonen, vitaminen en antilichamen) • reinigen van het bloed en het weefselvocht Systeem bestaat uit: 1. capillairen 2. lymfvaten 2. lymfebanen 3. knopen (lymfeklieren) Specifieke lymfeknopen liggen op een goed beschermde plaats in het lichaam en zorgen voor de "drainage" van een specifiek gedeelte van het lichaam. Een paardenlichaam heeft ongeveer 8000 lymfeklieren. De lymfevaten lopen vaak parallel van de aders. Door het grootste kanaal stroomt ongeveer 1,5 tot 2 liter lymfevocht per uur. De kanalen zijn voorzien van kleppen, net als de aders. |
terug naar boven
Foetale bloedcirculatie | ||||
Voor de geboorte heeft het veulen een andere bloedsomloop dan na de geboorte omdat de longcirculatie nog niet in het systeem betrokken is en het veulen zijn bloedtoevoer krijgt via de navelstreng. Na de geboorte gaat de bloedsomloop volledig functioneren waardoor er een aantal veranderingen optreden. Voor de geboorte heeft de bloedsomloop: • ductus arteriosus (ductus Botalli) • foranem ovale • navelstrengslagader • navelstrengader Ductus arteriosus (ductus Botalli) Dit is een bloedvatverbinding tussen de longslagader en de grote lichaamsslagader (aorta). Dit, omdat de longen voor de geboorte het bloed niet kunnen voorzien van zuurstof en de kleine bloedsomloop daarom nog niet functioneert. Zodra het veulen wordt geboren, verliest deze Ductus Botalli zijn werking, het veulen gaat ademhalen en de kleine bloedsomloop gaat functioneren. De ductus botalli sterft af. Deze bloedvatverbinding kan in aanleg ook nog kiezen tussen een linker- en een rechteraanleg. De normale aanleg is links-om, maar een enkele keer wordt gekozen voor een rechteraanleg. Foranem ovale Tussen de rechterboezem en de linkerboezem bevindt zich vóór de geboorte een doorgang (foramen ovale). Een groot deel van het bloed stroomt daardoor rechtstreeks naar de linkerboezem. De longcirculatie wordt hierdoor grotendeels gepasseerd. |
||||
![]() A. |
![]() |
![]() B. |
||
a = foetale bloedsomloop b = postanatale bloedsomloop zuurstofrijk bloed = rood zuurstofarm = blauw paars = gemengd (zuurstof en koolzuurgas) Hart 1a. of I rechter boezem (atrium) 1b. of II linker boezem (atrium) 1c. of III linker kamer (ventrikel) 1d. od IV rechter kamer (ventrikel)
|
||||
De foetale circulatie Tijdens de ontwikkeling voor de geboorte vindt er gaswisseling en uitwisseling van voedingsstoffen en metabolieten plaats in de placenta. Het zuurstofrijke bloed bereikt het veulen via de in de navelstreng gepaarde Venae umbilicales, waarvan uiteindelijk alleen de linker functioneel blijft. Vanuit de navel wordt het bloed via de ductus venosus in de lever direct overgebracht naar de vena cava caudalis en vandaar uit naar het rechter atrium. Door de hoge vaatweerstand, vanwege de nog niet functionele longcirculatie, is de druk in het rechter atrium hoger dan in het linker atrium, zodat een groot gedeelte van het bloed via het foramen ovale naar het linker atrium stroomt. Via het linker ventrikel en de Aorta wordt de rest van het lichaam van bloed voorzien. Een gedeelte van het bloed in het rechter atrium stroomt, samen met zuurstofarm bloed uit het hoofd, door naar het rechterventrikel. Bloed afkomstig uit het rechterventrikel zal vanwege de hoge druk in de longcirculatie via de ductus arteriosus, een verbinding tussen truncus pulmonalis en Aorta, naar de Aorta gestuurd worden. De grote arteri�n naar het hoofd hebben zich dan al van de Aorta afgesplitst zodat het hoofd relatief zuurstofrijk bloed ontvangt. Het zuurstofarme bloed van het embryo stroomt via de A. umbilicalis naar de placenta terug. Tijdens de partus komt er een einde aan de gasuitwisseling via de placenta, waardoor de CO2 concentratie in het bloed van het veulen zal toenemen. Toename van de CO2 doet de weerstand in de longcirculatie afnemen zodat er meer bloed naar toestroomt. De Venae pulmonales zorgen voor meer bloed en dus een hogere druk in het linker atrium, waardoor het foramen ovale functioneel afgesloten wordt (door tegen elkaar aanklappen van de twee oorspronkelijk gevormde septa). Na 2 tot 9 weken is het foramen ovale definitief gesloten. De ductus arteriosus contraheert reflexmatig, zodat deze niet meer functioneel is en blijft zichtbaar als ligamentum arteriosum. De reflex wordt getriggerd door de hoge zuurstofspanning in het bloed dat via de ductus van Aorta naar Tr. pulmonalis stroomt. Een andere belangrijke factor is de daling van de prostaglandine (PGE2) concentratie in het bloed vlak na de geboorte. Dit zorgt voor contractie van het gladde spierweefsel in de wand van de ductus. Ook de navelvaten en de ductus venosus sluiten tijdens de partus en gaan in regressie, maar de resten blijven herkenbaar in het volwassen dier. |
terug naar boven
Dressuuroefeningen in zakformaat | |
![]() |
Wil je verschillende dressuuroefeningen in een handig boekje? Een leuk geschenk voor jezelf, je vriend(in) of familielid. Lees meer ............ |
Springoefeningen in zakformaat | |
![]() |
Wil je verschillende springoefeningen en enkele parcoursschetsen in een handig boekje? Een leuk geschenk voor jezelf, je vriend(in) of familielid. Lees meer ............ |
terug naar boven